1.1
Fysisch chemische eigenschappen van Silicium
Silicium
maakt ongeveer 27,7% van de aardkorst uit, wat
van haar het tweede meest voorkomende natuurlijke element maakt, na
zuurstof.
Silicium komt steeds in verbonden staat
voor, nooit in zuivere
vorm want silicium reageert snel met water en zuurstof. Zo bevat dus
ook 40% van de mineralen bevat silicium.
In
het
periodiek
systeem van Mendelejev behoort silicium tot dezelfde groep als
koolstof.
Silicium is een niet-edelmetaal, met 4 elektronen op de derde schil.
Silicium heeft dus ook de neiging om vier enkelvoudige bindingen aan te
gaan zodat de buitenste elektronenschil ook opgevuld is.

De
chemische
samenstelling van silicium gelijkt op die van borium, aluminium,
titanium en
ijzer. In de organische chemie staan sterke verbindingen beschreven met
stikstof, zwavel, koolstof, bromium, chloor, fluor, en uiteraard
zuurstof.
Terug
Omhoog
1.2
Silicium in de biologie van plant en mens
Planten:
De vegetatie van de
aarde bevat gemiddeld 0,15% van zijn gewicht aan silicium. De
hoeveelheid
silicium hangt veel af van het soort planten. Zo is er een zeer hoog
gehalte
bij de grasachtige planten (behalve maïs) waarvan de as 30 tot
60% SiO2
kan bevatten en een laag gehalte bij de planten die calcium
(peulgewassen) en
potassium (aardappelen) bevatten.
Een
hectare
peulgewassen haalt jaarlijks 10kg siliciumdioxide uit de grond,
beukenbomen
63kg en tarwe 105kg. Van alle mineralen die door tarwe uit de grond
worden
gehaald, staat siliciumdioxide voor 50% van het totaal.
Equisetum
arvense L.
(akkerpaardestaart) is bijzonder rijk aan siliciumdioxide en de as van
deze
primitieve soort kan er tot 90% van bevatten (naargelang de seizoenen).
Een
andere plant die veel siliciumdioxide
bevat is de bamboeplant.
Mens
en dier:
De totale
hoeveelheid
silicium in het menselijk lichaam wordt geschat op 7gr, hoofdzakelijk
in
anorganische vorm; enkel de organische component bevat een biologische
functie. De organische silicium vorm vermindert aanzienlijk vanaf de
leeftijd van 10 jaar.
De
concentratie silicium in het
bloed bedraagt 10mg/l bij de mens (1/10de van de hoeveelheid
calcium).
Het is bewezen dat bij veel diersoorten
het
siliciumgehalte in de weefsels hun hele levensloop nagenoeg constant
blijft,
met name die van het bloed, de pezen en de spieren.
Nochtans
hebben talrijke
studies uitgevoerd op de mens (CARLISLE 1982) aangetoond dat dit
gehalte daalde
naargelang de leeftijd, zelfs in aanzienlijke mate in de gewrichten en
de huid. Een grafiek hiervan vindt u hier.
Terug Omhoog
1.3
Historisch gebruik van Silicium
Geschiedenis,
legenden:
Volgens
het volksgeloof heeft
elke soort steen een specifieke “magische” functie:
om te voorkomen dat een
schaap ziek wordt, wrijft de herder met drie keien over de kop van het
schaap
of laat hij het water drinken uit een emmer met stenen.
In
China wordt de huid met een
stukje jade ingewreven om mooier te worden. Jade (silicaat van
aluminium en
calcium) diende ook om niersteenkolieken te genezen.
Bezoarstenen
(van het Perzisch
pad-zahr: “tegengif”): kiezelstenen die
teruggevonden werden in de ingewanden
van dieren (darm, maag, hersenen, galstenen of blaasstenen). Ze werden
tot
poeder herleid door ze met een beetje water over een ruwe slijpsteen te
wrijven. Door dit poeder in te nemen dacht men koorts, zwakte en
vergiftiging
tegen te kunnen gaan.
Ze
worden nog steeds toegepast
in de Arabische, Indische en Chinese geneeskunde. Het amber uit
potvissen, een
steenachtige substantie, werd verondersteld de eigenschappen van een
afrodisiacum te hebben.
De
Azteken pasten silicium toe
in de vorm van een balsem op basis van obsidiaanpoeder (lavaglas), om
wonden te
helpen genezen. Met een gehalte van meer dan 60% siliciumoxide zijn de
obsidianen glassoorten van de zuiverste vorm. Een recente studie heeft
aangetoond
dat insnijdingen met scalpels uit obsidiaan vlugger helen dan wanneer
de
insnijdingen met klassieke metalen lemmeten worden gemaakt.
Tot
in de 19de eeuw
heeft de mens regelmatig grote epidemieën gekend. De
tegenstanders van PASTEUR
hebben als gevolg daarvan – zij het onterecht – de
term “besmetting” naar voor
gebracht. PASTEUR daarentegen had een andere theorie: “wij
drinken 90% van onze
ziekten; het is enkel door vervuild water dat de grote
epidemieën zich zo
verspreid hebben.”
Welnu,
men heeft vastgesteld
dat sommige groepen vreemd genoeg uit de greep van deze
epidemieën bleven. De
bevolking van MARSAT bijvoorbeeld beschikte over een ontegensprekelijke
immuniteit (hoewel zonder vaccins).
Ze
beschikte inderdaad, en
reeds eeuwenlang, over talrijke en overvloedige bronnen van het
VOLVIC-water,
die een zeer belangrijke concentratie aan silicium bevat.
Fytotherapie:
De
akkerpaardestaart (Equisetum
arvence L) is een echt reservoir aan siliciumdioxide; de as ervan bevat
er
tot 80% van. In de fytotherapie reeds gekend om zijn urineafdrijvende,
bloedzuiverende en bloedstelpende
eigenschappen, alsook als toevoeger van mineralen, werd ze evengoed
voorgeschreven bij patiënten met tuberculose of bloedarmoede,
of die gewoon
herstellend waren.
Sommige
auteurs achten
ze zelfs onvervangbaar (Galien beschouwde haar als “uniek
voor het
aaneenhechten van wonden, hoe groot ze ook zijn”). Pline
stelde vast dat ze
“neusbloedingen stopte, urinevorming stimuleerde en zweren
genas”. Hij raadde
zelfs aan salades van jonge scheuten te eten, omdat dit revitaliserend
zou
werken.
Pline
in de Oudheid,
gevolgd door Dioscoride in de eerste eeuw van onze tijdrekening,
raadden
afkooksels van de wortels van hondgras aan om blaasstenen te doen
oplossen.
Deze plant, die rijk is aan siliciumdioxide, bevat een fructose,
tricticine,
dat een derivaat van suiker is en een urineafdrijvende kracht heeft. De
siliciumionen helpen de oromucoïde stoffen in de urine om de
vorming van stenen
af te remmen.
Thermale
kuren:
Er
werd nog maar heel
recent een systematische studie van de samenstelling van alle minerale
bronnen
in Frankrijk uitgevoerd door het Ministerie van Gezondheid (analyses
ondergebracht in het Laboratoire d’Hydrologie du Pr.
Boulangé in Nancy). Bepaalde waters zoals
Châtelguyon of Siloas (la Réunion) bereikten een
gehalte van 80-90mg siliciumdioxide
(SiO2) per liter; het mineraalwater van La Salvetat bevat 72mg/l,
dat van Chateldon overschrijdt de 100-110mg/l, en Badoit haalt zelfs
136mg/l.
De
toepassingen van
modderbaden hebben, naast hun werking op de gewrichten, de bijzondere
eigenschap de huid “zacht” te maken: een
stimulerend effect dat niet te
verwaarlozen is en wat misschien het succes van de thermale kuren
verklaart.
Deze modder bevat inderdaad hoeveelheden silicium die tamelijk
indrukwekkend
zijn (60 tot 90% en meer), wat de doeltreffendheid ervan kan verklaren.
Ook
het water van
Sail-lez-Bains (Loire), bijzonder rijk aan opgeloste alkalische
silicaten
(geanalyseerd en aangeraden door Louis Pasteur in zijn tijd
…) wordt gebruikt
in thermale kuren bij:
- Huidaandoeningen (exczeem bij volwassenen
en borelingen, jeuk, psoriasis, lichen, acne, couperose,
huidallergieën,
spataderzweren, pijnlijke gevolgen van brandwonden)
- Arteriosclerose
- Artritis, jicht en artrose
- Galsteenvorming
- Voedingsziekten: obesitas, cellulitis,
voedselvergiftiging
- Verjongings- en schoonheidskuren
Het
water van la Roche-Posay (Vienne),
rijk aan bicarbonaat, calcium en silicaat (+ selenium) kent dezelfde
dermatologische toepassingen. De eigenschappen van de paardestaart, het
gebruik
van silanen in de cosmetica en het wetenschappelijk onderzoek naar de
biologie
van silicium hebben hun nut bij deze toepassingen eveneens
bewezen.
Ter
vergelijking, het
water van het stadsnet bevat over het algemeen minder dan 10mg/l
silicium als
gevolg van floculatie, in het bijzonder door aluminiumhydroxide,
waarmee
silicium een sterke affiniteit heeft.
Terug Omhoog
1.4
Silicium, het vergeten oligo element?
Waarom
wordt silicium zo weinig gebruikt in klassieke geneeswijzen?
Silicium
komt in de
natuurlijke omgeving voornamelijk in niet-oplosbare vorm voor en wordt
dus
moeilijk opgenomen. Aan de andere kant is silicium, zelfs in oplosbare
vorm,
weinig stabiel: het polimeriseert zeer vlug.
Het
lichaam vindt bijgevolg
moeilijk op natuurlijke wijze het silicium dat nodig is voor zijn
metabolisme.
Het
is dus niet zozeer de
hoeveelheid silicium die we opnemen die van belang is, maar eerder de
manier
waarop we het opnemen
Het
onderricht in de
faculteiten geneeskunde, farmacie of biologische wetenschappen richt
zich op
min of meer verwante onderwerpen (silicose, collagenose, asbestose,
siliconegels voor de cosmetica, colloïdaal siliciumdioxide als
vulstof) maar
niet op biologisch silicium op zich, en het algemeen onderzoek naar dit
onderwerp werd lang verwaarloosd.